Sebas van den Brink

Avondrood

“Ik kom er niet uit,” zei hij ineens.

Ze deed haar ogen open en zette haar gesprekken even op pauze.

“Sorry, wat zeg je? Ik was even bezig.”

“Ik kom er niet uit,” zegt hij opnieuw. “We zijn te goed.”

Ze knipperde met haar ogen, dit leek serieus. Ze zette haar implantaat even op standby.

“Ik bedoel,” ging hij verder, “we kunnen zo veel. We zitten nota bene op onze eigen planeet, geterraformd in nog geen twintig jaar. Er is zuurstof, leven, gras onder onze voeten. We hebben het een naam gegeven, we hebben stoelen geprint, een huis laten bouwen, we kunnen het verlaten wanneer we willen en sneller dan het licht reizen – waar we ook maar naartoe willen. Het is… het is absurd.”

Ze moest dit even laten inzinken. “Maar,” begon ze, “hoe is dat dan een probleem? Ik dacht dat je dit juist wilde doen?”

“Ja, dat klopt. Dat wou ik ook, maar nu… Ik weet het niet.” Hij zakte onderuit in zijn ligstoel. Zij ging wat rechter opzitten.

“Leg me nou eens uit wat het probleem dan is. Té goed?”

“Ja. Té goed. Er is geen uitdaging meer. Geen ziekte. Geen honger. Er is geen schaarste. Er is alleen maar… de dorst van nieuwsgierigheid om te lessen of fysieke gevoelens. Je kunt rondneuken, nooit ziek worden, geen kinderen krijgen – of juist heel veel – en het maakt allemaal niet meer uit. Er is geen risico, nauwelijks drama want we hebben allemaal computers in onze breinen, en al zeker geen dood. We zijn onsterfelijke goden geworden in ons universum. Ik weet gewoon niet wat ik ermee aan moet, met al deze mogelijkheden.”

“En liefde dan?”

“Ach…!”

“Nee, ik meen het,” ze wierp hem een glimlach toe, “dat is belangrijker dan je denkt. Het houdt de mensheid samen, ik hou van je dat wee–“

“Ja! Ja, ik weet het,” onderbrak hij haar. “En dat is geweldig en ik hou van je maar… Nou en?”

Ze schrok hier niet echt van. Ze was wel wat van hem gewend inmiddels.

“Niet dat het onbelangrijk is voor jou of mij, jij bent ontzettend belangrijk voor mij, maar in het totaalplaatje? In het algemeen of voor het universum? Nou en. Who cares? Al bouwen we een heel zonnestelsel, niemand zou dat weten. Alleen wij, en–“

“Precies!” onderbrak ze hem. “Precies! Wij weten dat. Wij voelen dat! Wij – jij en ik – zijn kleine… observatoren in dit anders levenloze en volkomen onverschillige universum. Dat is waar je van kan genieten, wat je kan ervaren, waar je jezelf in kan wikkelen als een warme deken.”

“Hm.”

“Is het niet genoeg voor je?”

“Dat is een goede vraag,” hij dacht hier even over na. “Ik kan niet meer vragen dan jouw liefde. Ik ben allang blij dat ik één iemand heb gevonden die van mij kan en wíl houden, ha.” Ze wierpen elkaar liefdevolle blikken toe. “Maar ik denk dat liefde niet het probleem noch de oplossing is. Liefde is mooi, maar je kunt ook houden-van en toch zelfmoord plegen. Je kunt nog steeds genieten en verzadigd zijn, niet waar?”

“Is dat het dan, ben je verzadigd?”

“Misschien is het niet verzadigd zijn, misschien wil ik iets doen wat onbereikbaar lijkt.”

“Er zijn nog steeds dingen die niet gedaan zijn. Onzichtbaar worden kan nog steeds niet, of levitatie, of–“

“–door muren heen lopen, jaja,” hij wuifde het weg. “Dingen die fysiek in ons universum onmogelijk zijn. Maar we kunnen wel hele planeten in Aardes veranderen. We kunnen kinderen ontwerpen, onze hersenen verbeteren en zelf dromen lezen. Ik ben al een paar keer een vrouw geweest en weet hoe het is om ziek te zijn – gewoon omdat ik me verveelde en behandeling weigerde.”

“Dat was niet prettig.”

“Nee, inderdaad. Akelig,” zei hij en zuchtte. Hij ging onderuit op z’n stoel liggen en vouwde zijn armen over elkaar. De avondlucht kleurde langzaam roze. Een zwaluwpaar joeg op insecten. Nieuwe bewoners van een nieuwe planeet, een beetje als de Aarde, toch helemaal nieuw. Dit gaf hem materiaal om op door te gaan: “We scheppen zelfs nieuw leven, er zijn mensen die hele nieuwe wezens ontwerpen – voortplantingscycli en alles. Sommige bedenken zelfs hele talen! Nieuw intelligent leven! Dat kan alleen maar gedoe opleveren, later. En er zijn een groepje wetenschappers bezig met het accelereren van sterformatie in een stofwolk een tiental lichtjaar van hier. Wij zijn verdomme al tweehonderd jaar oud! Wat moeten we hierna nog allemaal doen?”

Ze ging ook onderuit op haar ligstoel liggen. Ze keek niet naar de zwaluwen maar naar de vormen van hoge, dunne wolken in de atmosfeer daarboven. Wolken die, voor het terraformen, niet konden bestaan op deze planeet. “Maar ook dat zijn verhalen, niet waar?”

“Wat bedoel je?”

“Alles is verhalen. Onze voorouders die sterven. Napoleon. De val van Rome. De val van Washington. Alles is verhalen. Het koloniseren van de Maan, Mars, Centauri, Utopia, enzovoorts. Alles is verhalen,” ze tikte met haar vinger op haar slaap. “We zijn allemaal verbonden met elkaar, ik zat net in een gesprek met vijftien mensen tegelijk over onder andere wolkvorming op hun planeten. Eén persoon had het erover dat de hogere luchtlagen op zijn planeet zo turbulent zijn en zulke sterke winden kennen, dat het weer snel omslaat en de wolkformaties om de minuut anders zijn. Zijn shuttle heeft het gewoon moeilijk met opstijgen van de planeet.

“Andresas had het erover dat hij wandelende over een planeet waar het ijzer regent, planeten met zeeën van koolstof en dat hij een tijdje geleden bijna tot in de kern van een dwergplaneet is gegraven. Al deze verhalen van al deze individuen zitten nu in ons collectieve geheugen. Alles wordt opgeslagen, gelogd, verteld. Daar komen weer nieuwe ideeën uit, nieuwe dingen om te doen. Andresas werkt nu aan een ondergrondse stad, hij heeft al een boel kolonisten. Er zijn talloze archieven in het universum met kopieën van al-les wat we doen. Alles. Ook dit gesprek.”

“Nee, dit gesprek niet.”

Ze was even verbaasd. “Jawel, ik neem altijd op.”

“Jij neemt jouw kant van het verhaal op, mijn implantaat staat uit.”

“Oh,” ze dacht even na. “Maar waarom?”

“Weet je nog hoe de stilte voelt? Hoe eng het is om je implantaat uit te schakelen en alleen te zijn? Of dat we alleen met z’n tweeën zijn op deze hele planeet? Of dit hele zonnestelsel? Of hoe het voelt als je imperfecte mensenhersenen het moeten doen zonder de virtuele hulp van onze implantaat? Stel dat we onze hersenen zouden resetten en we zouden niet eens meer onze namen weten. Wat dan? Wat zouden we doen?”

“Ik weet het niet,” zei ze. “Maar ik vind het griezelig om te bedenken dat ik je niet meer zou kennen.”

“We kunnen de Adam en Eva zijn van deze planeet. Er zijn er een paar die het hebben gedaan. Zij hebben een planeet geterraformd, ze hebben leven gebracht en het zonnestelsel eromheen gestabiliseerd. Ze hebben zich helemaal voorbereid en gezorgd dat ze zeker vijftig jaar zichzelf kunnen voorzien. En toen hebben ze hun implantaten verwijderd. Niemand weet waar ze zijn. Hun shuttles verbrand in de lokale ster. Alleen. Als een soort Adam en Eva.”

“Je wilt toch niet suggereren dat we dat–“

“Oh, nee!” riep hij uit hij ging rechtop zitten. “Nee, nee! Want hoe zinloos is dát!?”

Ze slaakte een kleine zucht van verlichting.

“Nee, het is echt niet zinvol. Er zijn zoveel mensen aan het sterhoppen, ze worden binnen die vijftig jaar wel weer herontdekt. Wie weet wat er dan gebeurt?” Hij vouwde zijn handen weer op elkaar en keek weer naar de lucht: Nu een diep roze, bijna rood. Een koele bries stak op. “Ik weet het niet.”

Ze keek naar hem. De vorm van zijn gezicht, de lichte rimpels bij zijn ogen waar ze zo verkikkert op is. Hij liet ze speciaal voor haar zitten. De vele avonturen die ze hadden beleefd, de persoon die hij was en nu is. Hun kinderen ergens in het heelal, de vele dingen die ze al gedaan hadden. Ze voelde zich bezwaard om zich te openen tot zijn geest. Alsof zijn soms neerslachtige ideeën, zijn naargeestigheid haar kon besmetten. Haar nieuwsgierigheid liet het uiteindelijk toch toe. Ze dacht na over alle mogelijkheden, haar implantaat presenteerde een enorme lijst van opties. Wat de mens zoal kan: Bakken, voortplanten, koloniseren, leven scheppen, talen maken, een knoop zetten, reizen door het heelal, gras plukken, ademhalen, de geur van beits in de zomer ruiken, complexe wiskundige formules uitrekenen, je haar uit het gezicht van je grote liefde vegen. En ze vroeg het zich ineens af: “Waarom zijn we eigenlijk nooit echt goden tegengekomen?”

“Hm?”

“Waarom zijn we nooit goden tegengekomen? Ik bedoel: Als jij een god zou zijn. En jij zou je vervelen. Wat zou je doen?”

“Nou, precies. Waar zijn Zeus? Of God? Of al die andere creatie-goden? Wat doe je als je alles kan en je verveelt? Wat ga je doen wanneer je alles kan voelen, alles al eens hebt gevoeld en wanneer het geen probleem is dit opnieuw te voelen? Wat als er geen nieuwe dingen meer zijn om te doen, om te ontdekken? Wat als je alleen nog nare dingen zou kunnen voelen – wat je ook al gedaan hebt. Het enige wat we nog kunnen doen is iets… nalaten? Iets stichten, een soort zandbak maken, wezens kleien en kijken wat ze doen. Een soort mierenkolonie – en ook dat is al zo veel gedaan, in het echt én virtueel. Op veel verschillende manieren.” Hij haalde zijn schouders op.

“Ik snap je punt,” zei ze. “Misschien dat we daarom nooit goden zijn tegengekomen, ze waren zo verveeld, zo grenzeloos in hun bestaan… Ze hebben het enige en laatste gedaan wat je als grenzeloos wezen kan: Hun bestaan opheffen.”

Ze staarden beiden naar de knalrode avondlucht. De zwaluwen zongen. Hij stak zijn rechterhand naar haar uit, zij pakte hem vast.

Een dialoog tussen twee mensen in de verre toekomst. Dezelfde twee mensen die een planeet hebben geschapen uit mijn François Taton lied Morning Light